Ik en Jij

BOEKBESPREKING

Ik en Jij, Martin Buber

door Irene Weug

In den beginne is de relatie en Alle werkelijk leven is ontmoeting. Deze twee schuingedrukte zinnetjes op de achterkant van het boek ‘Ik en Jij’ van Martin Buber triggeren me op 22 maart jl. Mijn oog is op de plankjes met te recenseren boeken gevallen. Een weinig prominente plek achterin de expositiezaal van Reinventing Happiness. Met een schok van opwinding zie ik de - voor mij - nieuwe uitgave van ‘Ik en Jij’. In de vertaling van Marianne Storm uit 2010. Een groot geluksgevoel overvalt me. Ik krijg de kans het boek opnieuw te lezen. Het schrijven van een recensie aan de hand van een aantal vragen blijkt echter een pittige uitdaging. De vragen zijn: Kan het gedachtegoed van Buber nieuwe toekomstperspectieven bieden? En wat betekent dit voor mijn eigen leven en wat wil ik delen met de lezer/bezoeker? Ik ben onmiddellijk terug in de tijd. In een zaaltje van de studentenecclesia te Utrecht volg ik - net afgestudeerd dramadocente - vijf hoorcolleges over ‘Ik En Jij’. Het is 1978. Ik ben 27 jaar en kan de spreker amper volgen. Wat me bijblijft is het verschil tussen de Ik-Jij relatie en de Ik-Het relatie. Vanaf dat moment streef ik naar Ik-Jij relaties in mijn docentschap en mijn leven van alledag. ‘Ben ik nog wel in een Ik-Jij relatie?’ is een soort meetlat als ik twijfel over mijn eigen oprechtheid en eerlijkheid in relaties.
Het boek van Buber bestaat uit vier delen. De eerste drie delen zijn geschreven in Duitsland rond 1923; het vierde deel is in 1957 geschreven in Jeruzalem. De eerste drie delen zijn uit een innerlijke noodzaak geschreven. Buber is dan net 40 jaar. In het vierde deel krijgen briefschrijvers antwoorden over wederkerigheid en dialoog, over vrijheid en het lot, over willekeur en noodlot. Hij bundelt de vragen in een nawoord van 16 pagina’s. Veertig jaar levenservaring maakt zijn nawoord leesbaar. Buber heeft in Israël geleefd naar zijn eigen idee: het elke dag investeren in een wederkerige relatie. Hij blijft zich inzetten voor een Joods Arabisch Palestina op socialistische grondslag. Hij moedigt de dialoog aan tussen Joden en Palestijnen, gelooft in één staat. Dit wordt hem niet door alle Israëli in dank afgenomen. Wat maakt dit boek zo mooi? De Ik-Jij relatie gaat over het verbonden zijn met elkaar, waardoor er niets, maar dan ook niets meer zinloos kan zijn. Maar ook zijn kijken naar een boom. Of naar een jong mensenkind. En de beschrijving van hoe hij een huiskat aanschouwt.

In het nawoord vertelt Buber helder en direct dat je je als opvoeder en als psychotherapeut bewust moet zijn van de normatieve beperking die de bipolaire relatie in zich draagt. Over de relatie opvoeder – pupil zegt hij bijvoorbeeld: ‘De leraar dient de pupil niet te zien als som van eigenschappen, strevingen en remmingen. Hij dient zich van hem bewust te zijn en hem in dit geheel te bevestigen’. Ik durf te beweren dat dit boek nog steeds actueel is. De vragen die in het boek worden gesteld en waar Buber - teder zonder zweverig te zijn – antwoorden op heeft geformuleerd, zijn inspirerend. Buber roept elke dag op tot Ik-Jij relatie, tot dialoog. Onlangs durfden Rusland en Oekraïne de dialoog aan, wat een enorme opluchting was. Afgelopen week heb ik door het schrijven van deze recensie weer extra geïnvesteerd in Ik-Jij relaties met mijn MBO-leerlingen. En dit leverde nieuwe ontmoetingen op met leerlingen. Ik streef elke dag opnieuw naar dialoog, een echte Ik-Jij relatie, ook al is dat verdomd moeilijk vol te houden.

Ik en Jij, Martin Buber, Uitgeverij Bijleveld 2010 (oorspronkelijke tekst 1923)